Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AZ0104

Datum uitspraak2006-08-29
Datum gepubliceerd2006-10-13
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersC200500740
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bewijswaardering in geschil omtrent omvang (onder)huurovereenkomst. Niet het in gebruik genomen vloeroppervlakte is bepalend maar de inhoud van de wilsovereenstemming.


Uitspraak

typ. LD,JP rolnr. C0500740/BR ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, zevende kamer, van 29 augustus 2006, gewezen in de zaak van: [X.] wonende te [woonplaats], hierna: “[X.]”, appellant bij exploot van dagvaarding van 2 mei 2005, procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven, tegen: [Y.], wonende te [wwonplaats], hierna: “[Y.]”, geïntimeerde bij voormeld exploot van dagvaarding, procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann, op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sector Kanton, locatie Bergen op Zoom gewezen vonnis van 2 februari 2005 tussen [Y.] als eiser in conventie, tevens verweerder in reconventie en [Y.] als gedaagde, tevens eiser in reconventie. 1. Het verloop van het geding in eerste aanleg Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis met zaak/rolnummer 303064 CV EXPL 04/1821 alsmede het onder dat nummer gewezen tussenvonnis van 25 augustus 2004 en naar de vonnissen die door de rechtbank sector handelsrecht onder nummer 119078/HAZA 03-594 zijn gewezen op 18 juni 2003 en 18 februari 2004. 2. Het verloop van het geding in hoger beroep 2.1. Bij memorie van grieven, met bewijsstukken, heeft [X.] drie grieven aangevoerd tegen het vonnis van 2 februari 2005. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis van 2 februari 2005 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende de vordering in conventie van [Y.] alsnog zal afwijzen en de vordering in reconventie van [X.] alsnog zal toewijzen, inclusief buitengerechtelijke kosten en wettelijke rente, met veroordeling van [Y.] in de proceskosten in beide instanties. 2.2. Bij memorie van antwoord, met bewijsstukken, heeft [Y.] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 2 april 2005 (het hof leest: 2 februari 2005), met veroordeling van [X.] in de proceskosten in beide instanties. 2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. 3. De gronden van hoger beroep Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichting, zoals vermeld in de memorie van grieven. 4. De beoordeling: Het gaat in dit hoger beroep om het volgende. 4.1.1. [Y.] heeft [X.] in 2000, 2001 en 2002 bedragen in rekening gebracht voor geleverde materialen en verrichte werkzaamheden welke rekeningen [X.] onbetaald heeft gelaten. 4.1.2. [X.] is huurder van een loods. [Y.] heeft wegens gebruik van een deel van die loods NLG 1.000,-- in mindering gebracht op hetgeen hij van [X.] te vorderen heeft. 4.1.3. [Y.] heeft bij exploot van dagvaarding van 31 maart 2003, na eiswijziging, gevorderd dat [X.] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 7.189,88, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2002, alsmede een bedrag van € 788,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, kosten rechtens. 4.1.4. [X.] heeft een eis in reconventie ingesteld en veroordeling gevorderd van [Y.] tot betaling van een bedrag van € 4.978,14 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.433,60 vanaf 28 mei 2002, kosten rechtens. 4.1.5. De rechtbank heeft bij vonnis van 18 februari 2004 de zaak met toepassing van art. 94 lid 2 en lid 3 Rv ter verdere behandeling en beoordeling verwezen naar de sector Kanton, locatie Bergen op Zoom. 4.1.6. Bij tussenvonnis van 25 augustus 2004 heeft de kantonrechter [X.] met het bewijs van zijn stellingen belast. Nadat getuigen zijn gehoord heeft de kantonrechter bij het vonnis van 2 februari 2005 in conventie de inmiddels verminderde vorderingen van [Y.] toegewezen en in reconventie de vorderingen [X.] afgewezen, met veroordeling van [X.] in de proceskosten in conventie en in reconventie. 4.1.7. [X.] kan zich niet met het vonnis van 2 februari 2005 verenigen en komt daarvan in hoger beroep. De grieven lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 4.2. [X.] grieft niet tegen de vaststelling door de kantonrechter dat [X.] - na verrekening met een tweetal tegenvorderingen, waaronder een bedrag van NLG 1.000,-- uit hoofde van huur - een bedrag van € 7.189,88 inclusief BTW, nog te vermeerderen met een bedrag van € 788,40 aan buitengerechtelijke incassokosten, verschuldigd is uit hoofde van door [Y.] geleverde materialen en verrichte werkzaamheden. 4.3. Met zijn grieven bestrijdt [X.] de toewijzing in conventie van dit bedrag en de afwijzing van zijn vordering in reconventie. Hij voert daartoe aan dat hij een (hogere) tegenvordering op [Y.] heeft uit hoofde van huur en geleverde diensten, tot in totaal een bedrag van € 11.069,97 zodat na verrekening met de vordering in conventie het saldo in reconventie toewijsbaar is. [X.] bestrijdt de beslissing van de kantonrechter, na het horen van getuigen, dat deze (hogere) tegenvordering niet is komen vast te staan. 4.4. In het vonnis van 25 augustus 2004 was aan [X.] te bewijzen opgedragen: dat hij uit hoofde van met [Y.] gesloten overeenkomsten inzake huur en gebruik een bedrag van € 7.613,98 (incl. BTW) van [Y.] te vorderen heeft; dat hij uit hoofde van aan [Y.] geleverde diensten (72 manuren met gebruik heftruck) een bedrag van € 2.915,99 (incl. BTW) van [Y.] te vorderen heeft; dat hij uit hoofde van verhuur van een vrachtwagen met chauffeur een bedrag van € 540,-- (incl. BTW) van [Y.] te vorderen heeft. 4.5. De kantonrechter heeft op 27 oktober 2004 [A.], [B.] en [X.] zelf als getuigen gehoord. Deze getuigen hebben voorzover hier van belang verklaard - zakelijk weergegeven: [A.]: dat hij in het verleden een gedeelte van de bedrijfsruimte van [X.] heeft ondergehuurd; dat hij erbij aanwezig was toen [Y.] en [X.] afspraken dat [Y.] een gedeelte van de bedrijfsruimte zou onderhuren; dat [Y.] vervolgens een gedeelte van de bedrijfsruimte van [X.] in gebruik heeft genomen voor opslag van materialen en als werkruimte; dat dit aanvankelijk alleen de benedenruimte betrof maar later ook nog een gedeelte van de bovenruimte; dat [Y.] naar schatting ca 300 m2 in gebruik heeft gehad; dat hij niet weet welke huurprijs [Y.] met [X.] heeft afgesproken; dat hij meermalen heeft gezien dat [X.] of een van diens medewerkers werkzaamheden voor [Y.] heeft verricht bij het laden en lossen van vrachtwagens met behulp van een heftruck; dat hij verder niet weet wat [X.] en [Y.] hierover hebben afgesproken; dat hij er een aantal malen aanwezig was wanneer [X.] telefonisch transport regelde ten behoeve van de machines van [Y.]; dat hij niet weet wat [X.] en [Y.] over de daarmee gemoeide kosten hebben afgesproken; [B.]: dat hij in het verleden een caravan heeft gestald in de bedrijfsruimte van [X.]; dat hij in die bedrijfsruime een aanhangwagen aan het opknappen was; dat op enig moment [Y.] een gedeelte van de bedrijfsruimte in gebruik heeft genomen; dat [Y.] hem vertelde dat hij deze ruimte ging huren om daar machines op te knappen; dat hij [Y.] heeft geholpen bij het inrichten van de werkruimte: een klein gedeelte was ingericht als kantoor, de rest als werkruimte voor de machines; dat [Y.] ca 200 m2 van [X.] huurde; dat hij niet weet welke huurprijs [Y.] met [X.] heeft afgesproken; dat hij heeft gezien dat regelmatig vrachtwagens voor [Y.] verschenen die geladen moesten worden; dat hij heeft gezien dat [X.] met een aantal medewerkers [Y.] hebben geholpen bij het laden van machines op de vrachtwagens; dat hij niet weet wat [X.] en [Y.] hierover hebben afgesproken; dat hij niets kan verklaren omtrent het door [X.] ter beschikking stellen van een vrachtwagen met chauffeur aan [Y.]; [X.]: dat hij een mondelinge huurovereenkomst heeft gesloten met [Y.]; dat [A.] hierbij aanwezig was; dat hij met [Y.] heeft afgesproken dat deze 200 m2 zou huren voor opslag en reparatie van machines; dat daar later nog 50 m2 op de bovenverdieping is bijgekomen; dat de huurprijs per m2 gelijk zou zijn aan het bedrag dat [X.] aan de hoofdverhuurder moest betalen; dat hij met [Y.] heeft afgesproken dat de huur zou worden verrekend met het openstaande factuurbedrag; dat hij [Y.] veelvuldig heeft geholpen bij het laden en lossen van vrachtwagens; dat ook zijn medewerkers wel met de heftruck hebben geholpen bij het lossen van deze vrachtwagens; dat de kosten van deze werkzaamheden verrekend zouden worden met de openstaande facturen; dat er ongeveer 72 uren aan werkzaamheden zijn verricht maar dat dit er ook wel 172 kunnen zijn; dat hij met [Y.] een vergoeding van ongeveer NLG 72,-- per uur had afgesproken; dat [Y.] hem een keer heeft verzocht een vrachtwagen met chauffeur te regelen; dat hij deze vrachtwagen toen op eigen naam heeft gehuurd en daarvoor ook is gefactureerd voor een bedrag van € 540,--. 4.6. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Ten aanzien van de gevorderde huur (bewijsopdracht onder a) diende [X.] te bewijzen dat hij met [Y.] overeenkomsten inzake huur en gebruik heeft gesloten en op grond daarvan een vergoeding van in totaal € 7.613,98 incl. BTW van [Y.] te vorderen heeft. 4.7. De getuigen [A.] en [B.] verklaren dat [Y.] gedurende enige tijd een gedeelte van 200 m2 c.q. 300 m2 van de loodsruimte in gebruik heeft gehad alsmede een gedeelte van de zolder. Zij verklaren echter niets over duur en prijs. 4.8. [X.] heeft als getuige wel verklaard dat hij een mondelinge huurovereenkomst heeft gesloten met alleen [Y.] voor 200 m2 en later nog eens 50 m2. Deze verklaring valt echter niet te rijmen met zijn stelling (in de conclusie van eis in reconventie) dat hij een huurovereenkomst heeft gesloten met [Y.] en diens zwager, handelend onder de naam [C.] gezamenlijk, voor 200 m2 loodsruimte en later nog eens 50 m2 op de zolder. Het hof acht de getuigenverklaring van [X.] op dit punt dan ook ongeloofwaardig. 4.9. De verklaring van [A.] dat hij erbij aanwezig was toen [Y.] en [X.] bespraken dat [Y.] een aantal m2 zou onderhuren draagt niet bij tot het bewijs van de door [X.] gestelde huurovereenkomst. Deze verklaring past immers evenzeer binnen het door [Y.] erkende gebruik (via [C.]) van 20 m2 tegen een huurprijs van NLG 120,-- per m2 per jaar voor de duur van 5 maanden. De verklaring sluit voorts niet uit dat [C.] de huurder was van de resterende 180 m2 plus 50 m2 (boven de 20 m2 die [Y.] gebruikte) en daaruit volgt evenmin dat [Y.] (hoofdelijk mede) aansprakelijk was voor de huurbetaling voor deze extra m2. 4.10. Het hof acht daarom niet bewezen dat [X.] met [Y.] een mondelinge huurovereenkomst heeft gesloten voor 200 m2 en nog eens 50 m2 en daarom een bedrag van € 7.613,98 van [Y.] te vorderen heeft. 4.11. Ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor laad- en loswerkzaamheden (bewijsopdracht onder (b) stelt het hof vast dat op grond van de getuigenverklaringen van [A.] en [B.] bewezen kan worden geacht dat [X.] c.q. medewerkers van [X.] van tijd tot tijd behulpzaam zijn geweest bij laden en lossen van machines op vrachtwagens ten behoeve van [Y.], maar niet dat partijen waren overeengekomen dat dit tegen een geldelijke vergoeding zou geschieden. De enkele verklaring van [X.] dat hij met [Y.] had afgesproken dat hij hiervoor NLG 72,-- per uur in rekening mocht brengen kan niet tot bewijs bijdragen nu er afgezien van deze getuigenverklaring geen bewijs voorhanden is op dit punt. 4.12. Hetzelfde geldt voor de vergoeding voor de vrachtwagen met chauffeur (bewijsopdracht onder c). Weliswaar verklaart de getuige [A.] dat hij meermalen erbij aanwezig is geweest dat [X.] telefonisch transport regelde ten behoeve van [Y.], maar hij verklaart ook dat hij niet weet wat partijen overeen zijn gekomen omtrent een kostenvergoeding daarvoor. De getuigen verklaring van [X.] heeft daarom geen beslissende bewijskracht. 4.13. Het hof komt dus evenals de kantonrechter tot de slotsom dat niet bewezen is dat [Y.] nog een bedrag van € 11.069,97 aan [X.] is verschuldigd. Dit betekent dat de grieven falen en dat het vonnis van 2 februari 2005 dient te worden bekrachtigd. [Y.] zal worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep 5. De uitspraak Het hof: bekrachtigt het vonnis van 2 februari 2005 waarvan beroep; veroordeelt [X.] in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Y.] begroot op € 244,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris van de procureur. Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 29 augustus 2006.